Inleiding

De betrachting van het Collegium Chirurgicum is een overkoepelend orgaan te zijn voor alle Belgische specialisten/chirurgen (erkenningsnummer 140). Alle chirurgen waarvan sprake zijn oorspronkelijk opgeleid in de algemene heelkunde en oefenen deze specialiteit uit als algemeen chirurg of als één van de subspecialiteiten zijnde de digestieve, thoracale, vasculaire, cardiale, oncologische heelkunde, alsook beperktere specialiteiten zoals de traumatologie, kinderchirurgie en andere.

Het Collegium Chirurgicum staat voor een wetenschappelijk onderbouwde en representatieve denktank. Om dit te bereiken werd bewust gekozen voor een systematische vertegenwoordiging en een gerichte brede concertatie van alle geledingen. Alle universiteiten zijn zonder uitzondering vertegenwoordigd, alle subspecialiteiten zijn vertegenwoordigd via de aangepaste wetenschappelijke verenigingen en subverenigingen, ook de beroepsorganisatie is ruim vertegenwoordigd, aangevuld met de gevestigde afgevaardigden van de erkenningscommissies van beide landstalen. Bovendien wordt er eveneens op de taalpariteit toegezien. Op die manier slaagt men erin adviezen te formuleren en studies uit te voeren die gedragen worden zowel vanuit wetenschappelijk als beroepsmatig standpunt en aldus een hoge toegevoegde waarde inhouden. De methodiek die hiervoor werd aangewend is het werken met werkgroepen van experten waarvan de adviezen in de algemene vergadering worden bevestigd door alle geledingen alvorens voor toepassing en verspreiding te worden aangewend.

Voor de eerstvolgende periode waarvoor de stuurgroep van het Collegium is aangeduid werden 4 grote werkdomeinen vastgelegd. 

  1. Technology assessment (1ste Werkgroep)
    Deze werkgroep heeft als taak zich te buigen over de kwalitatieve waarde van nieuwe technologieën en hulpmiddelen enerzijds, anderzijds adviezen te formuleren rond financiering van deze middelen, uiteraard met een verantwoorde blik op de huidige socio-economische toestand, steeds onderbouwd met evidence based medicine. De grote uitdaging voor de toekomst is als verantwoordelijken voor gezondheidszorg in eerste orde de verdediger van de patiënt te zijn in het beschikbaar stellen van alle middelen waardoor de zorg kan in stand gehouden worden of verbeterd. Innovatie en verbetering van de bestaande middelen kan enkel worden beoordeeld door de gebruikers in casu de chirurgen. Andere verantwoordelijken kunnen instaan voor de bewaking van het budget en de algemene kwaliteit van de zorg. Zoals innovatie niet steeds betekent verbetering is besparing soms bedreigend voor het behoud van kwaliteit. Het is aan de chirurgen om de beleidsmensen duidelijke richtlijnen te formuleren rond de grenzen van besparingen die veiligheid of kwaliteit vermindering inhouden. Toch dienen de chirurgen op verantwoorde wijze afstand te nemen van nutteloze consumptie en pseudo-innovaties. Om deze doelstelling te bereiken worden verschillende experten samengebracht en regelmatige herevaluatie voorzien. Het collegium wenst aan de beleidsmensen het voorstel aan te bieden om op doordachte en verantwoorde wijze te participeren naargelang de vraag met  bereidwillige experten. Naargelang de vraagstelling kunnen dat vasculaire-, cardio-, algemene- of oncologische chirurgen zijn. De werkgroepen van het RIZIV, het Kennis Centrum en de gezondheids administratie sturen wij een open uitnodiging. 
                                                                                                                                                                                                                                                     
  2. Opleiding (2de Werkgroep)
    Opleiding tot chirurg (140),verdere opleiding tot een bijzondere bekwaming, bijkomende certificeringen in bepaalde niches dienen te worden geactualiseerd zodat een sluitend advies kan worden verstrekt.  Met aankomende Europese normen dient rekening gehouden. Het ziekenhuis van de toekomst zal dienen zijn accreditering  te verwerven en vooral te behouden ook op dienstniveau, de stafleden artsen-chirurgen zullen niet ontsnappen aan een recertifiering. Daarom is het belangrijk innoverende technieken te koppelen aan bijbehorende opleidingen en op regelmatige basis de bestaande behandelingen en technieken te actualiseren. De gespecialiseerde orgaan gerichte wetenschappelijke verenigingen zullen hun rol zien toenemen. De industriële partners spelen een rol in het faciliteren van deze voortgezette opleidingen. Het collegium dient een voortrekkersrol te spelen om aan de ziekenhuis beleidsmensen sociale partners, verzekeraars maar ook de overheid duidelijk te maken dat de chirurgen zichzelf voldoende in vraag stellen om technisch, wetenschappelijk maar ook medisch een rol te spelen in het ziekenhuis van de 21e eeuw.

    De rol van het beroep en de universiteit moet worden beschreven bij de initiële opleiding. Een truncus communis voor “algemene heelkunde” zal gevolgd worden door een opleiding tot een bijzondere bekwaming. Bij het voltooien van de truncus communis kan gedurende de laatste twee jaren gekozen worden voor een bepaalde richting. Na het bekomen van de erkenning wordt dan voorzien in de afwerking van de gemaakte keuze om de bijzondere bekwaming te verwerven. 

    Aldus wordt de algemene opleiding licht ingekort doch daarop volgt een vervolmaking tot een bijzondere bekwaming. Ook dit label zal de stakeholders toelaten de kwaliteit van de in België gevormde artsen te toetsen en op Europees niveau gelijkschakelen.

    De bekwaming van de artsen wordt hierdoor in de toekomst beter omschreven, ook de werkomstandigheden dienen te worden herzien. Europese wetgeving duwt ons voor de artsen in opleiding naar werkduur verkorting. Leefomstandigheden worden belangrijker voor de komende generatie. Deze generatie wenst niet minder dan in het verleden bewust bij te dragen aan gezondheidzorg en kiest voor een van de meest veeleisende beroepen. Voor de stagemeesters wordt het een grote uitdaging om binnen een beperkte werkweek een degelijke technische en inhoudelijke opleiding te verstrekken. Aan de overheid dient te worden uitgelegd dat dit niet kan zonder extra financiering, opleiden wordt immers een taak waarvoor momenteel in geen vergoeding is voorzien. Ook de erkende en gevestigde chirurgen gaan uitdagingen tegemoet; geen enkel beroep verricht nog 24h shifts, er wordt bijna geen bestaffing gevonden voor de urgentie diensten en de huisartsen laten weten dat hun wachtposten verzadigd zijn temeer daar zij niet de nu naar spoedopnames verwezen pathologie wensen op te vangen. Als hoger vernoemde continue bijscholing op intens niveau noodzakelijk wordt zal ook dit extra tijd in beslag nemen. 

  3.  Bijzondere Beroepsbekwaming (3de werkgroep)
    Deze werkgroep buigt zich over de bijzondere bekwamingen binnen het kader van de algemene heelkunde. Zoals hoger vermeld leert de praktijk er nog steeds een nood is aan wat kan worden omschreven als “algemene” chirurgen. In bijna alle grotere ziekenhuizen hebben de chirurgen de taken verdeeld naargelang hun interesse en hun specifieke opleiding. Hier en daar zijn wachtdiensten nog gezamenlijk doch de vasculaire, de cardiale- en de digestieve chirurgen werken naast elkaar of in aparte groepen. Binnen deze associaties en diensten worden veelal hoge eisen gesteld als bijzondere bekwamingen. De cardiale- vasculaire- en oncologische chirurg heeft ook na zijn basisopleiding flink geïnvesteerd en verdient dan ook een duidelijk bijkomend label. Er wordt nagedacht over het invullen van de criteria om deze bijzondere bekwaming te verwerven rekeninghoudende met een zekere gelijkvormigheid binnen de specialiteit Heelkunde. Er worden eveneens adviezen voorbereid rondom de manier waarop certificaten kunnen worden behaald zoals voor de digestieve pathologie, de traumatologie, de kinderchirurgie. Overgangsnormen zijn noodzakelijk om de status praesens te inventariseren en de opleidingen te starten. Het is de lay-out van de leerschema’s voor de nieuwkomers die echter de toekomst verzekert van de kwaliteit van de zorg in de diensten en model staat voor Europa.
      
  4. Kwaliteit/Veiligheid (4de werkgroep)
    Deze werkgroep buigt zich over de brede werking van de heelkunde binnen de algemene zorgverstrekking. Vooral gericht op veiligheid en kwaliteit van de intramurale zorg gaat deze groep mee in de moderne strekkingen rond het werken aan veiligheid en kwaliteitsverbetering. Bovendien streeft men naar kwaliteitsindicatoren per specialiteit en pathologie. 


Specifiek beleidsplan Veiligheid en Kwaliteit

De Stuurgroep Veiligheid en Kwaliteit van het Collegium Chirurgicum wenst toonaangevende adviezen uit te brengen, gericht naar de toekomst. De Belgische ziekenhuizen zoeken versneld, in navolging van sommige buurlanden, naar een model om hun inspanningen voor veiligheid en kwaliteit te structureren en kenbaar te maken. Accreditering staat hierbij in de wachtlijst aangeschreven.

Naast algemene kwaliteitsnormen op ziekenhuisniveau, zoals het beheersen van nosocomiale infecties, the right patient on the right place on the right moment, correct antibioticabeleid, investeren in communicatie ea… die door het Collegium Chirurgicum als standaardnormen voor elk ziekenhuis worden onderschreven en worden gesteund denkt men vanuit het Collegium dat op maat van specialiteit eveneens kwaliteitlabels en specifieke indicatoren hanteerbaar zijn. Het Collegium speelt dan ook een dubbele rol. Binnen de muren van het acute ziekenhuis het initiatief nemen in het implementeren van checklists, handhygiëne ea… als rolmodel enerzijds en anderzijds het beschrijven, uitwerken en toetsen aan internationale normen van kwaliteitsvoorschriften op dienstniveau en op pathologieniveau. Hier is de invalshoek van de specialisten terzake uitermate belangrijk.

Het Collegium Chirurgicum beoogt dan ook het ontwikkelen van kwaliteitsindicatoren die er per pathologie een duiding kunnen geven aan het bredere publiek in verband met de aangeboden expertise en kwaliteit. Volume zonder veilige en kwalitatieve normen heeft immers geen toegevoegde waarde. Het product “quality  x quantity” is dan ook het streefdoel van de wetenschappelijke verenigingen en beroepsorganisaties die het Collegium ondersteunen. Aandacht voor het individu en vrije keuze zijn nog steeds één van de bouwstenen van de Belgische Zorgverstrekking. Dit combineren met een strikte rigoureuze methodiek is de uitdaging van de toekomstige heelkundige praktijken.

Het is dan ook de bedoeling van het Collegium de hand uit te steken naar de overheid voor samenwerking. Samenwerking vooreerst tot motivatie van het ganse chirurgische beroep om veilig en kwalitatief te werken met een visie naar de toekomst. De actieve participatie van het Collegium kan zeker een stroomversnelling teweeg brengen. Anderzijds wenst het Collegium, samen met de overheid, studies uit te voeren en wetenschappelijk onderbouwd te zoeken naar indicatoren voor betere zorg die op termijn de patiënt een garantie tot outcome kunnen bieden. Hiervoor is in principe het meest toepasselijke werktuig de peer review in handen van de verzamelde wetenschappelijke- en beroepsverenigingen. Dit brengt de beste garantie tot samenwerking. De methodiek van het Collegium –documentatie en overleg om te streven naar consensus- moet borg staan, niet voor het proclameren van dogma’s, doch onderbouwde adviezen die wetenschappelijk muurvast verankerd zijn en daardoor door de brede chirurgische gemeenschap kunnen worden aangenomen ter implementering.

Concrete afspraken op korte termijn

  1. Het is de 1ste doelstelling vóór einde academiejaar 2010-2011 te streven naar een veralgemening van de "time in – time out" in de operatiezalen van het land.
  2. Een specifiek programma op te zetten rond hygiëne en bewaking van deze hygiëne binnen de operatiezalen met speciale aandacht voor beveiliging van implantaties en het uitsluiten van nosocomiale infecties.
  3. Het vastleggen van kwaliteitsindicatoren, specifiek voor bepaalde frequente pathologieën die op eenvoudige wijze met beperkte middelen op te volgen zijn. Hiervoor zullen voorbeelden van de omliggende landen worden geanalyseerd en zo mogelijk opgevolgd.  
  4. De chirurgen wensen een rol te spelen als “voltijds ziekenhuisartsen” in het uitbouwen van multidisciplinaire structuren voor integrale zorg om doeltreffende, toegangkelijke en patientgerichte chirurgische zorgtrajecten op te stellen.
  5. Voor de  bovenstaande projecten wenst men samenwerking met de regionale en federale administratie, alsook met het kenniscentrum.